De grote omslag

De crisis lijkt bijna voorbij, de vastgoedmarkt trekt langzaam weer aan. De economie kruipt uit het dal en er klinken hoopvolle geluiden. Voor het ruimtelijk vakgebied en de bouw komen de gouden tijden alleen niet meer terug. Een nieuwe werkelijkheid dient zich aan. Een werkelijkheid waarin burgers, overheid, marktpartijen en organisaties elkaar aanvullen in een levende stad.

Dat biedt een nieuw perspectief voor onze vakwereld, maar wel een waarin alles anders is dan we als planners, ontwerpers en bouwers gewend zijn. De aanbodgerichte markt wordt een vraagmarkt, eindgebruikers veranderen in opdrachtgevers. We hebben behoefte aan wetten en regels die niet beperken maar ruimte bieden. Er zijn nieuwe samenwerkingsverbanden, verdienmodellen en slimme oplossingen nodig.

Ontwikkelenergie
De opmaat naar deze ‘grote omslag’ is overal om ons heen waar te nemen in de vorm van leegstaande kantoren en stilgevallen ontwikkellocaties. Maar er gebeurt niet niks; er komt een beweging op gang met een heel ander karakter dan dat van de programmatische bouwlocaties van voor de crisis. Er lijkt een kanteling zichtbaar van top-down planning naar bottom-up initiatieven. We moeten nu definitief af van het idee van een maakbare samenleving, aangestuurd door een alwetende overheid. Burgers zijn mondiger en beter geïnformeerd dan ooit. Daar zit de ontwikkelenergie. Een stedelijk systeem kan echter niet alleen op basis van een verzameling van burgerinitiatieven functioneren.

We kunnen van individuen niet verwachten dat zij beslissingen nemen in het belang van het grotere systeem, bijvoorbeeld de stad. De overheid komt daarom allerminst buiten spel te staan en draagt verantwoordelijkheid. Een visie op stedelijk, regionaal en nationaal schaalniveau blijft nodig om als collectief vooruit te komen. Zo’n visie nieuwe stijl vraagt wel om een andere manier van ruimtelijk plannen. De kracht van een ruimtelijke ontwikkeling komt rechtstreeks uit de maatschappij. Daarvoor moet de overheid zich aanpassen.

Onvoorspelbare toekomst
Het nieuwe adaptief plannen richt zich op een onvoorspelbare toekomst. Het plan biedt geen eindbeeld maar een richting. Zo’n plan laat ruimte voor improvisaties en sluit aan op de energie in de samenleving. De motor achter het plan is meervoudige waardencreatie in plaats van financieel gewin voor een enkele partij. De kracht van de burger en de verbindingen tussen organisaties en betrokkenen zijn uitgangspunt en vormen het draagvlak voor de ontwikkeling.

Om op een dergelijke manier te plannen moeten overheden leren loslaten en meer gaan luisteren naar de andere partijen in het ruimtelijk speelveld. Er zijn nieuwe samenwerkingspartners en de spelregels moeten aan de nieuwe situatie worden aangepast. Door te werken met de ingrediënten die aanwezig zijn op een plek en door ruimte te bieden voor initiatieven uit de samenleving, kunnen we werken aan een perspectiefrijke toekomst van een levende stad.

Door: Elma van Beek – Vlaanderen Oldenzeel, directeur van de Stichting de Levende Stad